Op de terugreis vorige zomer van Bretagne naar huis maakten we nog een fijne tussenstop. In het hart van de Eure, midden in het groene landschap van Normandië, ligt immers een pareltje van barokarchitectuur: Château de Beaumesnil. Dit 17e-eeuwse kasteel, gebouwd tussen 1633 en 1640 in de stijl van Lodewijk XIII, met imposante gevels van rode baksteen en witte natuursteen, nodigt de bezoeker uit om door de grote poort (die ik vergat te fotograferen) op ontdekking te komen.
Door de eeuwen heen kende Beaumesnil vele eigenaars en periodes van glorie en verval, vandaag beheert de Fürstenberg-stichting het kasteel. Het kasteel werd oorspronkelijk gebouwd op de resten van een middeleeuwse motte (nu overgroeid door een groene haag, rechts op de foto, en jarenlang nog gebruikt als ijskelder).
Bij ons bezoek was het er erg rustig (als in bijna niemand). We aten eerst een belegd broodje (gekocht bij de plaatselijke bakker in het dorp) op het binnenplein waar ook de medewerkers net hun lunch aan de picknicktafel verorberden. Het was er gezellig zitten in de strandstoelen in het zonnetje en enkele vinkjes kwamen al snel een kruimeltje mee-eten.
Binnen vind je vijftien prachtig ingerichte kamers, inclusief een eigen huiskapel en een bibliotheek met unieke collectie oude boekbanden. De kamers zijn stijlvol ingericht (tot en met de keuken vol koperen pannen in de kelder) en het was heerlijk genieten van de vele kleine details (ja, ik ben dan iemand die foto’s maakt van deurklinken of lichtschakelaars omdat ik die zo mooi vind).
In de bibliotheek keken we alle drie onze ogen uit, wel een beetje stoffig, maar hoe mooi was dat zeg.
Rondom het kasteel strekt zich een park van ca.70 hectare uit, ontworpen in klassieke Franse stijl door La Quintinie, een medewerker van Le Nôtre (de tuinarchitect van Versailles). Denk aan de typische symmetrische lanen, een spiegelvijver, paadjes voor romantische wandelingen… Geen wonder dat de locatie ook gehuurd kan worden voor trouwrecepties 😉 Je kan er trouwens ook logeren, want op het domein zijn er een aantal gites.
Zin gekregen om ook eens te gaan kijken? Het kasteel ligt op ongeveer een uur rijden van Rouen en anderhalf uur van Parijs. Het is geopend van april tot september, meestal van 11:00 tot 18:00 uur. In de zomer zijn er vaak nocturnes met markten en vuurwerk, in de winter verandert het kasteel in een sprookjesachtig decor voor kerstactiviteiten. Voor actuele informatie en tickets kun je terecht op www.chateaubeaumesnil.com.
Tijdens ons verblijf in Bretagne in de zomer van 2025 werd hotel Dinan Port Le Jerzual in Lanvallay onze uitvalsbasis. Vlot bereikbaar met de wagen (hotel met eigen parking op een rustige plek) en aan de rand van het pittoreske Dinan, waar we een ruim aanbod hadden aan restaurants. Een kleine bloemlezing in woord en beeld van wat de stad te bieden heeft.
Het haventje van Dinan-Lanvallay is een aangename plek met terrasjes aan het water, ideaal om te ontspannen na een wandeling of een daguitstap en ook daar gingen we een paar keer eten. Het kon maar zo handig zijn, gewoon te voet naar het restaurant en nadien terug naar ons hotel, zalig toch?
We gingen er langs bij Crêperie Entre Amis voor de typische crêpes en bij Les Roger Bontemps waar we konden genieten van huisgemaakte drankjes (er was zelfs een thuisbrouwerij) en de vegetarische burger erg lekker was.
Rue de Jerzual: een steile straat die slingert van het hoger gelegen centrum naar de haven (of in ons geval eerst naar boven en nadien terug naar beneden) en bestaat uit mooie vakwerkhuizen, ateliers en ambachtelijke winkels. In één van de kleine ateliers verkochten ze mooie lederen armbandjes in de meest uiteenlopende, vrolijke kleuren voor kleine prijsjes (moeilijk om aan te weerstaan).
In het hoogseizoen zal het hier ongetwijfeld druk zijn, maar aan het begin van de zomer konden we in alle rust nog genieten van deze mooie omgeving en uitgebreid foto’s maken. Bergop is een beetje van een kuitenbijter en het best wel opletten op de kasseien voor een uitschuiver wanneer je lichte sandalen draagt (ik kan me voorstellen dat het hier bij vochtig weer snel héél glad is), maar zo nu en dan zien we toch ook een sportieveling vlotjes in looppas voorbijkomen 😉
In het centrum is het aanbod aan restaurants en bars zonder meer uitgebreid en voor elk wat wils. We aten er crêpes (alweer) bij La cour saint sauveur, als hoofdgerecht én als dessert. Kozen een avond voor een Italiaans diner (in een restaurantje waarvan ik helaas de naam vergat) en bij lunchbar Noisette et praliné aten we een heerlijke toast en lekkere frisse gazpacho van courgette en munt. De cider schenken ze daar trouwens standaard in kopjes en niet in glazen, zowat overal daar in de streek.
Dinan is een van die plekken waar je het gevoel krijgt dat de tijd heeft stilgestaan. Het stadje ligt op een heuvel boven de rivier de Rance. De oorsprong van Dinan gaat terug tot de 11de eeuw. In de middeleeuwen groeide het uit tot een belangrijk handelscentrum, beschermd door sterke vestingwerken. De stadsmuren, gebouwd in de 13e eeuw, zijn vandaag nog steeds intact en vormen samen met het Château de Dinan een indrukwekkend decor. Dit kasteel, gebouwd in de 14e eeuw door hertog Jan IV van Bretagne, herbergt nu een museum dat de lokale geschiedenis vertelt.
Al wandelend over de vestingwerken kan je genieten van prachtige uitzichten.
In het oude centrum vind je de Basiliek Saint-Sauveur en de kerk Saint-Malo, we gingen er toch snel ook even binnen piepen.
Naast de vele restaurantjes kom je hier ook aan je trekken op vlak van winkeltjes. Wekelijks is er ook een grote markt, die zeker de moeite van een bezoekje waard is. Uiteraard heel wat voedingskramen en ook een ruim aanbod aan andere artikelen. We zagen er zelfs een naaister die ter plekke herstellingswerken uitvoerde en van een bestelwagen haar mobiele naaiaterlier had gemaakt.
Van alle plekjes in de streek die we bezochten, kan ik met overtuiging zeggen dat dit de leukste was om gelogeerd te zitten.
Deze zomer trokken we richting Bretagne en een aantal van onze bezoekjes kregen nog geen verslag op mijn blog. Bij deze een inhaalbeweging, voor de archieven.
Kleiner en minder bekend (bij ons) dan Saint-Malo of de Mont Saint-Michel, maar daarom niet minder leuk om een bezoekje te brengen. En zo trokken we ook eens richting Dinard. Het was opnieuw niet de beste dag qua weer (eerder bewolkt en winderig), maar op zich was dat niet echt een bezwaar om nog eens richting kust te trekken. Het was niet dat we plannen hadden om te gaan pootjebaden, laat staan zwemmen 😉
Wat ons het meeste aantrok, was de aanwezigheid van Belle Epoque-architectuur. Dinard werd in de 19e eeuw hét trefpunt voor aristocraten en welgestelde families die de genezende kracht van zeewater ontdekten. Het fenomeen van zeebaden – toen gezien als een gezonde en modieuze bezigheid – trok rijke Britten en Parijzenaars naar de Bretoense kust. Dit leidde tot de bouw van luxueuze villa’s, elegante hotels en de eerste badinfrastructuur. Tijdens de Belle Époque bloeide Dinard op als een mondaine badplaats. Wat begon als een exclusieve bestemming voor de elite, evolueerde in de 20e eeuw tot een populaire vakantiebestemming voor een breder publiek.
Tot vandaag blijft Dinard die nostalgische charme behouden, met tradities zoals de blauw-wit gestreepte cabines en een jaarlijkse Britse filmfestival. Je vindt er ook nog verschillende mooie villa’s. De retro tentjes prijken op heel wat kaartjes en affiches, en uiteraard wou ik ze ook graag op foto vastleggen.
We deden een stukje van een wandeling langs de kust, maar besloten toch op onze stappen terug te keren. De combinatie van een pad zonder reling vlak naast gladde rotsten en opspattend zeewater is niet ideaal wanneer een deel van het wandelgezelschap teveel schrik heeft om te genieten.
Een wandeling in het stadje zelf maakte dat we wel allemaal konden genieten van de omgeving, de natuur en de mooie architectuur (en een bijzonder chic hotel met een prachtige, publiek toegankelijke uitkijkplek over de baai). Je kan trouwens Saint-Malo zien liggen aan de andere kant van het water.
Voor een koffie en een Bretonse crêpe gingen we wel naar een een ander, iets minder prijzig, etablissement. Ik koos op het gevoel en het bleek de oudste crêperie van de stad te zijn.
Naarmate de dag vorderde, verscheen er terug blauw in de lucht en kwam het zonnetje opnieuw te voorschijn. We gingen nog even verder op verkenning en ontdekten nog meer mooie huizen en hotels, een casino en leuke winkeltjes.
Enkele infoborden maakten ons er op attent dat ook menig schilder deze plek wel kon bekoren. En we kunnen ze geen ongelijk geven. Dinard is voorwaar een fijne stad om eens te bezoeken 🙂
Een bezoek aan de Mont Saint-Michel kon uiteraard niet ontbreken tijdens onze vakantie. Ik was er ooit al eens lang geleden, en Maya deed er in het middelbaar een blitzbezoekje (maar herinnerde zich vooral de drukte). Het is na Parijs zowat de meest bezochte plek in Frankrijk, het eeuwenoude bedevaartsoord op een rotsige punt in het water is niet voor niets sinds 1979 Unesco-werelderfgoed.
De Mont Saint-Michel is gebouwd op een rotsachtig eilandje. Door de eeuwen heen kwamen er verschillende gebouwen bij: de pre-romaanse kerk, de abdijkerk uit de 11e en 15e eeuw, en de romaanse en gotische kloostergebouwen. Na jarenlange werkzaamheden ligt de Mont Saint-Michel opnieuw als eilandje in het water. Het begon allemaal in 708 toen de bisschop van Avranches een heiligdom zou hebben opgericht op de Mont-Tombe nadat de aartsengel Michael er drie keer verschenen was. Al komen er nu misschien geen echte bedevaarders meer, nog steeds trekken jaarlijks miljoenen mensen naar deze plek om de aartsengel (of althans zijn beeltenis) te zien en van boven op de berg de hele baai te overzien.
Ook al hebben de Fransen nog geen (school)vakantie op het moment van ons bezoek, we besluiten om ’s ochtends tijdig te vertrekken om de drukte zoveel mogelijk te vermijden. De nieuwe, zeer ruime parking ligt op ca. 2 kilometer van de Mont Saint-Michel. Gratis pendelbussen brengen de bezoekers naar de Mont of toch tot op een paar honderd meter zodat je nog even een mooi zicht hebt op het totaalplaatje voor je door de toegangspoort naar binnen gaat. Bij de parking ligt ook een groot bezoekerscentrum waar je de betaalautomaten vindt voor de parkeertickets en waar je trouwens gratis naar het toilet kan (altijd handig meegenomen). Er staat al een rijtje bezoekers te wachten op de pendelbus, maar er is ook een wandelpad en wij besluiten te voet te gaan. Ik heb geen zin om in de bus gepropt te worden, het is opnieuw vrij grijs maar droog (en winderig) en ik wil in alle rust en op eigen tempo genieten van de omgeving.
De aanblik van de Mont Saint-Michel in de verte is indrukwekkend. Het landschap is wijds, de schapen – de prés salés zoals ze hier ook worden genoemd omdat het gras dat ze eten zilt is en hun vlees bijgevolg ook – mogen niet ontbreken op de foto’s. Ik kijk rond en geniet met volle teugen. Intussen rijdt het pendelbusje ons voorbij, de passagiers plakken tegen elkaar en nog net niet tegen het raam. Blij dat wij voor de wandeloptie gekozen hebben. Uiteraard worden bij het uitstappen de nodige selfies gemaakt, en ja, ook wij maken er een paar (maar enkel om naar het thuisfront te sturen 😉 )
Eenmaal binnen de muren lijkt het of je even terug in de tijd gaat. Smalle straatjes slingeren zich omhoog langs oude huizen, winkeltjes en cafés. Eind juni-begin juli en vrij vroeg in de ochtend komen, heeft duidelijk een héél groot voordeel: het is hier rustig! Ik kan zonder problemen foto’s maken van de straatjes, er staan maar heel weinig mensen op. Maya herinnerde zich dat zij (toen ze hier een aantal jaren geleden in de paasvakantie was) met de klas bijna meteen de ‘hoofdstraat’ verlieten omdat het er veel te druk was, een hele verademing dus nu en letterlijk meer ruimte om alles rustig te bekijken.
We wandelen verder naar boven want we willen ook de abdij zelf bezoeken en daarvoor moet je tegenwoordig vooraf een ticket komen in een bepaald tijdslot. Eens boven staan er uiteraard nog mensen te wachten bij de security om binnen te gaan, maar druk kan je het echt niet noemen. Helemaal zoals we dat het liefst hebben dus 🙂
We wandelen door de abdij waar op dat moment ook tentoonstelling met enkele kunstwerken loopt (eentje ervan herkennen we trouwens van het Lichtfestival in Gent van enkele jaren geleden).
Het mooiste voor mij is echter het uitzicht op de baai. Intussen is het ook deels uitgeklaard en de wolkenluchten zijn prachtig. Van dit zicht en die kleuren zou ik elke dag kunnen genieten! Ik speel nog een beetje met de panoramafunctie op mijn smartphone in een poging om het gevarieerde spel van licht en kleur op beeld vast te leggen.
Wanneer we naar beneden wandelen, is het duidelijk al wat drukker aan het worden. Ook heel wat leerlingen die hier op schooluitstap komen, sommige plannen duidelijk ook nog een wandeling in de baai zelf. Iets wat je trouwens best onder begeleiding doet, want het water kan snel opkomen en op verschillende plaatsen kan je ook in drijfzand terecht komen.
Om terug te keren naar de parking nemen we deze keer wel de pendelbus. En zo zien we langzaam de Mont terug kleiner worden.
Slotsom: zeer de moeite van een bezoek waard! Als je kan, kom dan buiten de schoolvakanties en als dat niet lukt, probeer dan sowieso ’s ochtends vrij vroeg te komen. Het maakt echt een wereld van verschil. De pendelbusjes zijn top, maar als het een beetje mooi weer is dan zou ik toch te voet richting Mont gaan. Het is helemaal niet zo ver wandelen en er ligt een breed pad. Ideaal ook wanneer je de schapen in het landschap wil fotograferen. Maak gebruik van het gratis sanitair in het bezoekerscentrum bij de parking, eens binnen de poorten is er nog publiek sanitair (o.a. vlak na de poort), maar dat is betalend. Onze GPS kende de weg nog niet naar de nieuwe parking, maar alles staat zeer goed aangeduid, je kan eigenlijk niet missen.
Wanneer we ’s ochtends na een uitgebreid ontbijt richting Saint-Malo rijden, is de lucht nog grijs. Geen zwembadweer, maar het is droog en zacht qua temperatuur dus we laten het niet aan ons hart komen. De foto’s zijn wat grijzer, maar het bezoek aan de stad daarom niet minder aangenaam.
We zoeken een parkeerplek (geen probleem want het is vrij rustig en we vinden het ook niet erg dat we nog heel even moeten lopen) en wandelen dan richting oude stad. Het Grande Aquarium bezoeken we niet, we hebben goede herinneringen aan Nausicaà in Boulogne-sur-Mer en niet meteen behoefte om nog meer vissen en andere zeedieren van dichtbij te kunnen bewonderen.
De ommuurde stad heeft nog niets verloren van haar robuuste uitstraling. We nemen een van de stadspoorten en stellen vast dat Saint-Malo zeker de moeite van een bezoekje waard is. In de straatjes vind je heel wat winkels, uiteraard met souvenirs maar ook heel wat andere koopwaar, van kledij over interieur, kunst en uiteraard ook eten (de schaaldieren waren best fotogeniek).
Bovendien zijn de zomerkoopjes al gestart en Maya vindt er een leuke top voor een klein prijsje, Maarten een nieuwe pet (voor zomerse fietstochtjes wanneer een hoed iets minder handig is). We namen ook een kijkje in de Saint-Vincent kathedraal. Mooie glasramen en meerdere scheepsmodellen, typisch voor zoveel kerken langs de kust.
We hebben wel zin in iets lekkers, maar willen de typische toeristenterrassen vermijden. Naast de kathedraal spot ik een bakkerij waar duidelijk ook de plaatselijke bewoners in de rij staan voor hun aankopen. Bovendien hebben ze enkele stoelen buiten staan en kan je er ook koffie krijgen. Ik kies voor de typische kouign-amann (uit te spreken min of meer als queen aman), een Bretons gebakje (eigenlijk meer een soort koffiekoek) gemaakt van gelaagd deeg met boter en suiker, dat tijdens het bakken een knapperige, gekarameliseerde buitenkant krijgt met een zachte binnenkant. Het woord betekent letterlijk ‘botertaart’ in het Bretons. Het is ongetwijfeld een caloriebommetje maar erg lekker 😉
We moeten wel een beetje opletten want vlakbij de tafeltjes zitten enkele meeuwen op de loer die ook wel een lekker hap lusten. De toeristen naast ons kunnen ervan meepraten want zij strooiden eerst nog enkele kruimels van hun broodje, maar één van de gevleugelde deugnieten ging gewoon met een volledig broodje aan de haal.
Uiteraard kan een wandeling op de stadswallen niet ontbreken. Ze zorgen voor een mooi uitzicht over de zee, die er nu heel rustig bij ligt. De robuuste omwalling maakt echter duidelijk dat het hier niet altijd zo rustig is.
We verlaten de ommuurde stad en lopen nog even de andere richting uit om langs de dijk van het zeezicht te genieten. Het is nog niet meteen strandweer en we besluiten dan ook om ons bezoek aan deze stad af te ronden. Terwijl we terug naar het hotel rijden, klaart het echter volledig uit en we kunnen nog volop van de zon en een boek genieten aan het zwembad, voor ons even goed 😉
Dit jaar trokken we opnieuw voor onze zomervakantie richting zuiderburen, maar niet heel ver. Een tussenstop inlassen leek dan ook wat overbodig, zij het niet dat het een ideale aanleiding is om ook plekjes dichter bij huis wat extra aandacht te geven. En dus werd er toch opnieuw een tussenstop ingebouwd in het doorgaan, deze keer in Rouen.
De stad ligt op amper 3u rijden van Gent waardoor we nog ruim voor de middag op onze bestemming waren en we dus meer dan voldoende tijd hadden om uitgebreid op verkenning te gaan. We boekten een nachtje in het Novotel Rouen Centre Cathédrale en waren behoorlijk onder de indruk van de art deco inkomhal.
Na het inchecken (de bagage lieten we nog even in de koffer zitten want de kamer was nog niet beschikbaar) namen we onze picknick mee voor een lunch langs de oevers van de Seine. Het was er heel aangenaam zitten op een van de vele bankjes. De speelpleintjes waren op dat moment rustig (maar wel mooi aangelegd en er slingerde ook nergens afval rond op wat spijtige peuken na). Verschillende inwoners kwamen hier over de middag hun loopje doen of hun lunch verorberen (na de werkuren kwamen hier nog veel meer mensen genieten van de groen en de gezelligheid merkten we later die dag op trouwens). En geen probleem om je afval netjes kwijt te geraken, overal stonden containers waar het afval gesorteerd werd ingezameld en ik ontdekte zelfs vuilbakken op zonne-energie! Na de lunch trokken we de stad in om verder op ontdekking te gaan, de eerste indruk zat alvast helemaal goed 🙂
Rouen is de hoofdstad van Normandië en een stad die je heel gemakkelijk te voet verkent. Ze telt heel wat leuke straten en pleintjes met mooie winkels en een ruim aanbod aan horeca, massa’s vakwerkhuizen, indrukwekkende (gotische) kerken en ook enkele knappe musea.
De kathedraal Notre-Dame van Rouen is alvast een topvoorbeeld van gotische architectuur. Het gebouw werd wereldberoemd door Claude Monet de kathedraal vereeuwigde in een reeks schilderijen (waarvan je er trouwens ook eentje in Rouen kan bewonderen, zie verder).
In het oude stadscentrum vind je naast de vele vakwerkhuizen ook de Rue de Gros-Horloge. De astronomische klok is behoorlijk indrukwekkend en het symbool van de stad. Op zondag (en ook op maandag merkten we) zijn de meeste winkels wel gesloten, maar dat maakte het er niet minder gezellig op. Wie echter een stadsbezoek wil combineren met winkelplezier houdt daar wel best rekening mee. De lokale afdeling van Galleries Lafayette was open (maar de buitenkant was wat ons betreft het mooiste om te bekijken), het plaatselijk kattencafé was (tot grote spijt van Maya) gesloten.
Rouen is ook de stad van Jeanne d’Arc. Op de Place du Vieux-Marché werd ze in 1431 ter dood gebracht. Vandaag vind je hier een moderne kerk gewijd aan haar, met prachtige glas-in-loodramen. De ramen dateren uit de 16de eeuw en kwamen uit een andere kerk die tijdens de Tweede Wereldoorlog grotendeels werd vernield. Het gebouw zelf doet een beetje denken aan een Vikingschip (of een vis, volgens sommigen). Volgens ons in elk geval een prachtig staaltje architectuur, meer dan de moeite waard om zowel binnenin als langs buiten even wat extra aandacht te geven.
Het plein zelf is vrij druk, met een ruim aanbod aan cafés en restaurants en het typische draaimolentje dat je zowat in elke stad of dorp tegenkomt. Wij besloten wat rustiger straatjes te verkennen op zoek naar “there where the locals go” om iets te drinken. We vonden een soortement café (met enkel maar ‘simpele dingen’ op de kaart: qua koffie bv gewoon ‘un grand café ou un petit’, de prijzen waren ook navenant) naast een plek waar jeux de boules gespeeld werd in een straatje waar water en planten (blauw en groen) op een heel mooie manier terug in het straatbeeld geïntegreerd waren. Ik moest even denken aan Mechelen waar ik een gelijkaardige inrichting zag (zoiets mogen ze wat mij betreft op meer plaatsen doen trouwens).
Omdat we eigenlijk nog genoeg tijd hadden, besloten we ook al het Musée des Beaux-Arts te bezoeken en dat niet uit te stellen tot de volgende ochtend. Het museum herbergt een indrukwekkende collectie schilderijen, beeldhouwwerken en tekeningen. Je vindt er werken van o.a. Monet, Degas, Delacroix, Géricault en Caravaggio. Het gebouw deed me qua inrichting wat denken aan een mix tussen het Gentse MSK en het Antwerpse MSKA.
In het eerste deel ook nog ruimte voor enkele designstukken en hier en daar, in de trappenhal en op het einde van de tentoonstelling een moderne toets. De toegang is bovendien gratis, wat het extra aantrekkelijk maakt om eens binnen te lopen.
’s Avonds maakten we het onszelf gemakkelijk en kozen voor het Italiaans restaurant in/aan het hotel. Een mooi gevulde en gesmaakte dag. Na een goede nacht en uitgebreid ontbijt, konden wij gezwind vertrekken naar onze volgende bestemming.
Slotsom: Rouen is zeker de moeite van een bezoek waard en vanuit België nog net in te plannen als daguitstap of zeker perfect voor een weekendje weg.
Quasi op het drielandenpunt van Frankrijk, Zwitserland en Duitsland, op het grondgebied van Duitsland, in Weil-am-Rhein, ligt de Vitracampus. Vitra is een naam als een klok, een designklok. Toen we in het voorjaar van 2019 na een citytrip Wenen via Frankrijk terug naar huis reden, maakten we hier al eens een tussenstop. Ik wist toen al dat we hier nog wel eenst terug zouden komen en dat een vakantie in de Elzas eigenlijk de perfecte uitvalsbasis is voor een tripje naar deze bijzondere plek. De foto’s zijn een combi van ons bezoek in april 2019 en september 2024.
De eigenaar van de meubelfabriek Vitra wilde oorspronkelijk een gebouw om zijn verzameling stoelen en andere meubels permanent tentoon te stellen. Uiteindelijk werd het (in 1989) een museum met ruimte voor tentoonstellingen en evenementen rond architectuur en ontwerpen. Het zwaartepunt van de collectie is een permanente tentoonstelling over meubels en interieurontwerpen. De basis werd gelegd na het overlijden van de Amerikaanse ontwerpers en architecten Charles en Ray Eames. Hun ontwerpen werden door Vitra geproduceerd en in Europa verkocht. De meubelverzameling bevat intussen ontwerpen van bijna alle bekende industriële ontwerpers, zoals George Nelson, Alvar Aalto, Verner Panton, Dieter Rams, Jean Prouvé, Michael Thonet en Gerrit Rietveld. Naast de meubelverzameling beschikt het museum ook over een bibliotheek en een archief met de nalatenschap van een aantal ontwerpers.
De hele site staat vol met gebouwen van wereldbefaamde architecten. Het hoofdgebouw van het museum is ontwerpen door Frank Gehry. Het gebouw voor de bedrijfsbrandweer van Vitra is een ontwerp van Zaha Hadid, een conferentiepaviljoen van de Japanner Tadao Ando, een tankstation ontworpen door Jean Prouvé …
In 2010 opende op de site het VitraHaus, de toonzaal van Vitra, met op de benedenverdieping de Vitra Design Museum Shop. Het Vitrahaus is een ontwerp van Herzog en de Meuron en lijkt wel een willekeurige stapeling van huizen. De blokken zijn echter perfect op elkaar gestapeld en in elkaar geschoven. De binnenkant is een passend geheel met heel veel daglicht en telkens weer prachtige uitzichten op de omgeving.
Het VitraHaus is dan ook zoveel meer dan een toonzaal, het hele gebouw ‘ademt’ modern design op een heel natuurlijke manier. Niet zo evident om te omschrijven, maar het is gewoon heerlijk om er rond te lopen en te genieten van de verschillende interieurs en ontwerpen.
Op een van de bovenverdiepingen (de VitraHaus Loft) mag een hedendaagse ontwerper voor een langere periode trouwens een studio inrichten met eigen ontwerpen. Op dit moment vind je daar het werk van Sabine Marcelis. Die waren niet altijd mijn ding qua materiaalkeuze, maar wel boeiend qua ontwerp.
In 2014 was de Vitra-collectie uitgegroeid tot ongeveer 6000 meubels en 1000 lampen. In 2016 opende op de Vitra Campus het Schaudepot. In dit gebouw is een permanente tentoonstelling van ongeveer ‘400 hoogtepunten uit de geschiedenis van het meubelontwerp van 1800 tot heden’ te bekijken.
In 2014 verscheen ook de 31 meter hoge Vitra Rutschturm van Carsten Höller. De stalen toren, een kunstwerk, fungeert als uitzichttoren met een spiraalvormige glijbaan.
Intussen kwam er op de site ook een prachtige plantentuin bij, in september was die wel al een beetje over haar hoogtepunt naar ze heeft er zonder meer heel kleurrijk uitgezien.
Gelegen in het hart van de Elzas, is Colmar een stad die er een beetje uitziet als een plaatje uit een sprookjesboek: kleurrijke vakwerkhuizen, kronkelende straatjes en schilderachtige grachten, een mix van geschiedenis, cultuur en natuurlijke schoonheid.
We verbleven er in september 2 nachtjes in een hotel van de Accorgroep. We sliepen er erg goed en het ontbijtbuffet was uitstekend. Onze lunch werd een picknick en voor onze aankopen trokken we naar de lokale overdekte markthal, altijd leuk om te bezoeken en je kon er voldoende lekkers vinden :p
De eerste dag verkenden we de stad nog onder een bewolkte hemel. We zagen er uiteraard veel vakwerkhuizen en het opmerkelijke Maison Pfister (laatste foto in de reeks), een pareltje uit de renaissance dat op menig fototoestel wordt vastgelegd en daarnaast ook best veel groen en water doorheen de stad.
’s Avonds gingen de sluizen even open waardoor we snel een restaurantje binnen doken en kozen voor de lokale streekspecialiteit, tarte flambée.
De stad heeft ook zijn eigen petite Venise, met schilderachtige huizen langs de Lauch. We vonden er trouwens nog een heerlijk restaurantje (Les Batteliers – geen website, geen reservaties, maar wel elke avond aanschuiven voor een plekje) waar mijn vader jaren terug ooit heerlijke niertjes at (en dat kon er nu dus nog steeds, naast heel wat ander lekkers uiteraard).
We bezochten er niet het grote Musée Unterlinden, maar wel het geboortehuis (nu een museum) van de beeldhouwer Frédéric-Auguste Bartholdi, de ontwerper van het Vrijheidsbeeld. Best een boeiend verhaal om eens te leren kennen. Aansluitend dronken we trouwens nog een heerlijke koffie in een leuke zaak met vintage inrichting vlak naast het museum.
Er hangt doorgaans wel een feestelijk sfeertje in de stad, en wie houdt van kerstmarkten zal hier in december zeker aan zijn trekken komen. Ook buiten de kerstperiode kan je er altijd wel terecht voor leuke geschenkjes, handgemaakte cadeaus en lokale lekkernijen. En aangepaste verlichting zorgt ’s avonds meteen voor extra sfeer en gezelligheid. Wij genoten nu vooral nog even van de heerlijke zonnestralen om door de stad te flaneren, op ontdekking te gaan in de straten en wijken en uiteraard ook eens halt te houden om de kelen te smeren op een van de vele terasjes.
Even buiten de stad komt je meteen terecht in mooie landschappen. Colmar ligt aan de voet van de Vogezen en is omgeven door wijngaarden. Ideaal dus voor wie wil wandelen of fietsen in het groen, of voor wie – zoals wij deden – ook graag eens een bezoekje brengt aan een lokale wijnhandelaar, wij reden hiervoor naar Wettolsheim (helaas blijken die kleinere wijnboeren het steeds moeilijker te hebben om nog personeel te vinden en de concurrentie aan te blijven gaan met wijn uit andere gebieden en werelddelen). De oogsttijd van de druiven en het bijbehorende wijnfestival in de regio trekt echter nog steeds veel volk.
Kortom, Colmar en omgeving is een regio die veel te bieden heeft, of je nu fan bent van geschiedenis, kunst & cultuur, gastronomie of natuur, voor elk wat wils en helemaal niet zo ver van Vlaanderen wat het ideaal maakt voor een korte vakantie.
Meer inspiratie opdoen kan je altijd via deze website: https://www.visit.alsace/nl/colmar/
In september trokken wij enkele dagen richting de Elzas en deden daar enkele leuke bezoeken die ik graag met jullie deel. Op onze eerste reisdag stond er een bezoek aan een bijzonder kasteel op het programma: Château du Haut-Koenigsbourg.
Haut-Koenigsbourg is een indrukwekkend middeleeuws kasteel in roze zandsteen, eigen aan de streek, en ligt bij Orschwiller, ongeveer tien kilometer ten westen van Sélestat en een dikke 25 km boven Colmar. Het majestueuze bouwwerk bevindt zich op een rotskam van de oostelijke Vogezen, op een hoogte van 755 meter.
Vandaag de dag is de Haut-Koenigsbourg een van de best bewaarde kastelen in de Elzas en een geliefde toeristische attractie. Met een lengte van 270 meter en een breedte van 70 meter (en een totale oppervlakte van ca. 1.5 hectare!) biedt het een adembenemend uitzicht over het Rijndal, als er ten minste geen lage wolken hangen 😉
Je kan met de wagen tot vrij dicht bij het kasteel geraken, de weg is enkele richting en maakt een lus rondom de site. Ben je voorbij de site en vond je geen parkeerplaats dichtbij dan moet je dus volledig rondrijden en opnieuw een plekje zoeken op iets meer afstand van de ingang. Beetje verrassend wanneer je er voor de eerste keer komt, maar eigenlijk heel efficiënt en met het hoge bezoekersaantal op jaarbasis ongetwijfeld nodig om verkeersopstoppingen te voorkomen. Wij parkeerden voor alle zekerheid op enige afstand en deden nog een kleine klim te voet naar de ingang, meteen een beetje extra fysieke inspanning na een lange autorit 😉
Het kasteel kent zijn oorsprong in de 12e eeuw en speelde een cruciale rol in de middeleeuwen. Het strategische belang van de locatie werd al vroeg onderkend. De bezitters beheersten de omliggende dorpen en handelswegen in de Rijnvallei. Door de eeuwen heen wisselde het kasteel meerdere keren van eigenaar. Tijdens de Dertigjarige Oorlog werd de burcht belegerd en uiteindelijk in brand gestoken. Na de Vrede van Münster (1648) werd het kasteel een deel van Frankrijk. In de daaropvolgende eeuwen raakte het in verval en werd het uiteindelijk een ruïne. Na de Frans-Duitse Oorlog werd Elzas-Lotharingen in 1871 onderdeel van het Duitse Keizerrijk. De stad Sélestat schonk de burcht in 1899 aan de Duitse keizer Wilhelm II, die het kasteel zag als een symbool van het Germaanse verleden van de Elzas. Onder leiding van de Berlijnse architect Bodo Ebhardt werd de ruïne tussen 1900 en 1908 grondig gerestaureerd. Deze restauratie leidde tot controverse omwille van een aantal keuzes die gemaakt werden. Restauratie is sowieso een verhaal zonder einde en ook steeds weer een kwestie van keuzes, interpretaties (en ongetwijfeld ook van beschikbare budgetten). Ook vandaag staat de voorzijde van het monument in de steigers voor renovatiewerken. Bij het Verdrag van Versailles (1919, na WOI) kwam het goed terug in Franse handen.
Aan de ingang liggen infofiches in 14 verschillende talen die je als individuele bezoeker doorheen het domein voeren en voorzien van een woordje uitleg. Uiteraard kan je ook deelnemen aan een rondleiding met gids, soms gebeurde dat zelfs voor heel kleine groepjes van 2 tot 4 personen zagen we. Hier en daar pikten we zo nog een brokje extra informatie mee, zowel in het Frans als in het Engels.
We zagen tijdens onze reizen al heel wat kastelen, maar dit is toch wel een bijzonder exemplaar. Moeilijk te beschrijven, deels ingewerkt in de rotsen zelf, indrukwekkend en op sommige momenten precies ook een beetje een mix (samenraapsel klinkt iets te negatief) van uiteenlopende stijlen en tijden. De restauratiekeuzes uit het verleden spelen hier duidelijk in mee, ook al lijken de meeste keuzes toch wel gestoeld op grondig wetenschappelijk onderzoek.
Het aanwezige meubilair straalt echter zonder meer vakwerk uit en de gigantische kachels met geglazuurde tegeltjes zijn ronduit indrukwekkend. De replica’s van de wapens geven ook wel een mooi overzicht van de evolutie in bewapening en verdediging.
Van de tuinen was ik een stuk minder onder de indruk, maar daar zitten mogelijk onze bezoeken een de weelderige Loirekastelen en dito tuinen wel voor iets tussen. Regelmatig zijn er ook workshops en evenementen die jong en oud onderdompelen in het verleden van de middeleeuwen.
Vonden we dit de moeite? Zeker en vast. Het zou jammer zijn om deze plek niet te bezoeken wanneer je in de buurt bent. Hou er echter wel rekening mee dat het er heel druk kan zijn, ze tellen daar ongeveer een half miljoen bezoekers per jaar.
Het liefst van al loop ik gewoon rond in een stad om ze beter te leren kennen en ook onverwachte dingen te ontdekken. Dat kan gaan van street art over een bijzonder gebouw of een leuk winkeltje, … soms staan ze vermeld in een reisgids of zag ik er al iets over voorbijkomen op de socials, maar soms zijn het ook gewoon dingen die we zelf ontdekken of waar mijn oog op valt op dat moment. Dat zijn de kleine sprinkels, de kersen op de taart of hoe je het ook noemen wilt. Ik geef er hier nog enkele mee van onze citytrip deze zomer.
Winkels en window shopping
We zijn geen uitgebreide shoppers, maar een winkeltje met de supertoffe Ampelmann merchandising (Ampelmann = het figuurtje in het verkeerslicht) of een iconisch warenhuis zoals KaDeWe (Kaufhaus des Westens) dat wil ik wel eens gezien hebben. En los daarvan kan het ook een snelle oplossing om even de regen te ontwijken en zo brengen we soms toch nog onverwachte aankopen mee van vakantie (zoals een zomers hemdje voor Maya en een paar sokken voor mij van een winkel in uitverkoop). De Legostore eens binnenlopen, is sowieso leuk omdat ze er vaak hele mooie lokaalgebonden opstellingen hebben, zoals hier o.a. de Brandenburger Tor en een Trabantje door de Berlijnse muur.
Overal en nergens
Reclameborden, straatnaamborden en andere verkeersborden, maar ook werkmannen in flashy roze outfit, mooie streetart en vintage Trabantjes trokken mijn aandacht en zorgden voor een vrolijke noot onderweg.
Eten en drinken
Uiteraard werd ook de inwendige mens niet vergeten. We hadden het geluk in een prachtig hotel te kunnen logeren met een gigantisch uitgebreid buffet waar we onze buikjes meer dan rond konden eten en een lunch doorgaans schrapten, maar vervingen door een koffie ergens onderweg (koffiebar, broodhuis, maar even goed op een tof ecologisch marktje waar we toevallig langs liepen) om dan ’s avond opnieuw een eetplek te zoeken. In een grootstad is dat doorgaans niet zo moeilijk en met Google Maps en Trip Advisor kan je vlot een doorgaans goede keuze maken. Zo bleek er vlak naast ons hotel ook een restaurant te zitten waar we heerlijk konden eten (en de vis nog vers in de toonbank lag voor de liefhebbers, maar ook niet vis-eters konden er prima aan hun trekken komen). We aten ook erg lekker in gezellig eethuis een beetje verder in de buurt. En iemand in ons gezelschap moest en zou eens een Bratwurst van een kiosk proeven, het ziet er niet zo heel smakelijk uit op de foto, maar het was blijkbaar best oké 😉
Architectuur en gebouwen met een verhaal
Al wandelend door de stad liepen we langs heel wat gebouwen met een verhaal, soms een ontdekking die we niet in een reisgids hadden gevonden zoals het prachtige Shellhaus (meer lezen kan o.a. op wikipedia). Aan veel oorlogsverhalen hadden we niet meteen behoefte, maar toch hielden we even halt op de contemplatieve binnenkoer van het German resistance memorial center. De Neue Nationalgalerie, met 20ste eeuwse Amerikaanse en Europese kunst, trok vooral onze aandacht omwille van het ontwerp door Mies van der Rohe. En soms spring je onderweg gewoon ergens een cultuurhuis binnen (omdat je behoefte hebt aan een sanitaire stop) en geniet je even van de schoonheid van het gebouw en de lichtinstallatie die er op dat moment staat 😉 Op weer een andere plek liepen we plots lang Hotel Berlin, Berlin waar ik 10 jaar geleden met mijn zusje logeerde toen ze me trakteerde op een citytrip Berlijn wegens een nieuwe voordeur. De Kaiser Wilhelm Gedächtniskirche staat dan weer bekend om zijn unieke architectuur, met een opvallende wafelstructuur aan de buitenkant en prachtige blauwe glas-in-loodramen binnenin. De kerk is een herdenkingskerk die na de Tweede Wereldoorlog werd herbouwd. Het moderne ontwerp van de nieuwe kerk, naast de ruïnes van de oude, symboliseert zowel de verwoesting van de oorlog als de wederopbouw en hoop voor de toekomst. Er vallen ook verschillende mooie panden te spotten in de laan naar Schloss Charlottenburg. En eveneens interessant om eens langs te lopen, vonden we de Hansawijk, een bijzonder stadsdeeltje dicht bij de Tiergarten en de Spree. Met boeiende architectuur en een leuk ecologisch marktje waar we een lekkere koffie dronken. Onze laatste dag was meteen de mooiste en dus genoten we ook gewoon even op een bankje langs de Spree van de zon en de boten die voorbij kwamen. Soms moet het ook niet meer zijn dan dat 😉