Categorie archieven: Op stap

Château de Beaumesnil

Op de terugreis vorige zomer van Bretagne naar huis maakten we nog een fijne tussenstop. In het hart van de Eure, midden in het groene landschap van Normandië, ligt immers een pareltje van barokarchitectuur: Château de Beaumesnil. Dit 17e-eeuwse kasteel, gebouwd tussen 1633 en 1640 in de stijl van Lodewijk XIII, met imposante gevels van rode baksteen en witte natuursteen, nodigt de bezoeker uit om door de grote poort (die ik vergat te fotograferen) op ontdekking te komen.

Door de eeuwen heen kende Beaumesnil vele eigenaars en periodes van glorie en verval, vandaag beheert de Fürstenberg-stichting het kasteel.
Het kasteel werd oorspronkelijk gebouwd op de resten van een middeleeuwse motte (nu overgroeid door een groene haag, rechts op de foto, en jarenlang nog gebruikt als ijskelder).

Bij ons bezoek was het er erg rustig (als in bijna niemand). We aten eerst een belegd broodje (gekocht bij de plaatselijke bakker in het dorp) op het binnenplein waar ook de medewerkers net hun lunch aan de picknicktafel verorberden. Het was er gezellig zitten in de strandstoelen in het zonnetje en enkele vinkjes kwamen al snel een kruimeltje mee-eten.

Binnen vind je vijftien prachtig ingerichte kamers, inclusief een eigen huiskapel en een bibliotheek met unieke collectie oude boekbanden. De kamers zijn stijlvol ingericht (tot en met de keuken vol koperen pannen in de kelder) en het was heerlijk genieten van de vele kleine details (ja, ik ben dan iemand die foto’s maakt van deurklinken of lichtschakelaars omdat ik die zo mooi vind).

In de bibliotheek keken we alle drie onze ogen uit, wel een beetje stoffig, maar hoe mooi was dat zeg.

Rondom het kasteel strekt zich een park van ca.70 hectare uit, ontworpen in klassieke Franse stijl door La Quintinie, een medewerker van Le Nôtre (de tuinarchitect van Versailles). Denk aan de typische symmetrische lanen, een spiegelvijver, paadjes voor romantische wandelingen… Geen wonder dat de locatie ook gehuurd kan worden voor trouwrecepties 😉 Je kan er trouwens ook logeren, want op het domein zijn er een aantal gites.

Zin gekregen om ook eens te gaan kijken? Het kasteel ligt op ongeveer een uur rijden van Rouen en anderhalf uur van Parijs. Het is geopend van april tot september, meestal van 11:00 tot 18:00 uur. In de zomer zijn er vaak nocturnes met markten en vuurwerk, in de winter verandert het kasteel in een sprookjesachtig decor voor kerstactiviteiten. Voor actuele informatie en tickets kun je terecht op www.chateaubeaumesnil.com.

Dinan

Tijdens ons verblijf in Bretagne in de zomer van 2025 werd hotel Dinan Port Le Jerzual in Lanvallay onze uitvalsbasis. Vlot bereikbaar met de wagen (hotel met eigen parking op een rustige plek) en aan de rand van het pittoreske Dinan, waar we een ruim aanbod hadden aan restaurants. Een kleine bloemlezing in woord en beeld van wat de stad te bieden heeft.

Het haventje van Dinan-Lanvallay is een aangename plek met terrasjes aan het water, ideaal om te ontspannen na een wandeling of een daguitstap en ook daar gingen we een paar keer eten. Het kon maar zo handig zijn, gewoon te voet naar het restaurant en nadien terug naar ons hotel, zalig toch?

We gingen er langs bij Crêperie Entre Amis voor de typische crêpes en bij Les Roger Bontemps waar we konden genieten van huisgemaakte drankjes (er was zelfs een thuisbrouwerij) en de vegetarische burger erg lekker was.

Rue de Jerzual: een steile straat die slingert van het hoger gelegen centrum naar de haven (of in ons geval eerst naar boven en nadien terug naar beneden) en bestaat uit mooie vakwerkhuizen, ateliers en ambachtelijke winkels. In één van de kleine ateliers verkochten ze mooie lederen armbandjes in de meest uiteenlopende, vrolijke kleuren voor kleine prijsjes (moeilijk om aan te weerstaan).

In het hoogseizoen zal het hier ongetwijfeld druk zijn, maar aan het begin van de zomer konden we in alle rust nog genieten van deze mooie omgeving en uitgebreid foto’s maken. Bergop is een beetje van een kuitenbijter en het best wel opletten op de kasseien voor een uitschuiver wanneer je lichte sandalen draagt (ik kan me voorstellen dat het hier bij vochtig weer snel héél glad is), maar zo nu en dan zien we toch ook een sportieveling vlotjes in looppas voorbijkomen 😉

In het centrum is het aanbod aan restaurants en bars zonder meer uitgebreid en voor elk wat wils. We aten er crêpes (alweer) bij La cour saint sauveur, als hoofdgerecht én als dessert. Kozen een avond voor een Italiaans diner (in een restaurantje waarvan ik helaas de naam vergat) en bij lunchbar Noisette et praliné aten we een heerlijke toast en lekkere frisse gazpacho van courgette en munt. De cider schenken ze daar trouwens standaard in kopjes en niet in glazen, zowat overal daar in de streek.

Dinan is een van die plekken waar je het gevoel krijgt dat de tijd heeft stilgestaan. Het stadje ligt op een heuvel boven de rivier de Rance. De oorsprong van Dinan gaat terug tot de 11de eeuw. In de middeleeuwen groeide het uit tot een belangrijk handelscentrum, beschermd door sterke vestingwerken. De stadsmuren, gebouwd in de 13e eeuw, zijn vandaag nog steeds intact en vormen samen met het Château de Dinan een indrukwekkend decor. Dit kasteel, gebouwd in de 14e eeuw door hertog Jan IV van Bretagne, herbergt nu een museum dat de lokale geschiedenis vertelt.

Al wandelend over de vestingwerken kan je genieten van prachtige uitzichten.

In het oude centrum vind je de Basiliek Saint-Sauveur en de kerk Saint-Malo, we gingen er toch snel ook even binnen piepen.

Naast de vele restaurantjes kom je hier ook aan je trekken op vlak van winkeltjes. Wekelijks is er ook een grote markt, die zeker de moeite van een bezoekje waard is. Uiteraard heel wat voedingskramen en ook een ruim aanbod aan andere artikelen. We zagen er zelfs een naaister die ter plekke herstellingswerken uitvoerde en van een bestelwagen haar mobiele naaiaterlier had gemaakt.

Van alle plekjes in de streek die we bezochten, kan ik met overtuiging zeggen dat dit de leukste was om gelogeerd te zitten.

Dinard

Deze zomer trokken we richting Bretagne en een aantal van onze bezoekjes kregen nog geen verslag op mijn blog. Bij deze een inhaalbeweging, voor de archieven.

Kleiner en minder bekend (bij ons) dan Saint-Malo of de Mont Saint-Michel, maar daarom niet minder leuk om een bezoekje te brengen. En zo trokken we ook eens richting Dinard. Het was opnieuw niet de beste dag qua weer (eerder bewolkt en winderig), maar op zich was dat niet echt een bezwaar om nog eens richting kust te trekken. Het was niet dat we plannen hadden om te gaan pootjebaden, laat staan zwemmen 😉

Wat ons het meeste aantrok, was de aanwezigheid van Belle Epoque-architectuur. Dinard werd in de 19e eeuw hét trefpunt voor aristocraten en welgestelde families die de genezende kracht van zeewater ontdekten. Het fenomeen van zeebaden – toen gezien als een gezonde en modieuze bezigheid – trok rijke Britten en Parijzenaars naar de Bretoense kust. Dit leidde tot de bouw van luxueuze villa’s, elegante hotels en de eerste badinfrastructuur.
Tijdens de Belle Époque bloeide Dinard op als een mondaine badplaats. Wat begon als een exclusieve bestemming voor de elite, evolueerde in de 20e eeuw tot een populaire vakantiebestemming voor een breder publiek.

Tot vandaag blijft Dinard die nostalgische charme behouden, met tradities zoals de blauw-wit gestreepte cabines en een jaarlijkse Britse filmfestival. Je vindt er ook nog verschillende mooie villa’s. De retro tentjes prijken op heel wat kaartjes en affiches, en uiteraard wou ik ze ook graag op foto vastleggen.

We deden een stukje van een wandeling langs de kust, maar besloten toch op onze stappen terug te keren. De combinatie van een pad zonder reling vlak naast gladde rotsten en opspattend zeewater is niet ideaal wanneer een deel van het wandelgezelschap teveel schrik heeft om te genieten.

Een wandeling in het stadje zelf maakte dat we wel allemaal konden genieten van de omgeving, de natuur en de mooie architectuur (en een bijzonder chic hotel met een prachtige, publiek toegankelijke uitkijkplek over de baai). Je kan trouwens Saint-Malo zien liggen aan de andere kant van het water.

Voor een koffie en een Bretonse crêpe gingen we wel naar een een ander, iets minder prijzig, etablissement. Ik koos op het gevoel en het bleek de oudste crêperie van de stad te zijn.

Naarmate de dag vorderde, verscheen er terug blauw in de lucht en kwam het zonnetje opnieuw te voorschijn. We gingen nog even verder op verkenning en ontdekten nog meer mooie huizen en hotels, een casino en leuke winkeltjes.

Enkele infoborden maakten ons er op attent dat ook menig schilder deze plek wel kon bekoren. En we kunnen ze geen ongelijk geven. Dinard is voorwaar een fijne stad om eens te bezoeken 🙂

Namen

Wij besloten in september nog eens een daguitstap in eigen land te doen en kwamen zo op Namen uit. Vanuit Gent was dat een vlotte rit van iets meer dan anderhalf uur.

We parkeerden aan de rand van de stad voor weinig geld en wandelden langs het water richting centrum. In het gebouw van de toeristische dienst verzamelden we nog wat extra info over de stad en de streek (en maakten meteen even gebruik van het gratis sanitair).

Op zaterdag is een groot deel van de (winkel)centrum autovrij en dat was wel zo handig. Het maakte dat je nog iets rustiger in de straten kon lopen en rondkijken. Omhoog kijken is immers zeker een aanrader, je vindt er nog heel wat mooi gevels (al is de gelijkvloerse verdieping soms wel een minder mooie winkelpui geworden, maar er zijn er die toch hun best doen). Tegelijk kijk je best ook regelmatig waar je je voeten zet, want er lagen heel wat straten op voor wegenwerken (en er zijn hier en daar ook gewoon putjes in het wegdek waar ondergetekende net moest insukkelen met een stevig geschaafde knie als resultaat).

Naast de typische ketenwinkels vind je hier ook nog verschillende, originele winkeltjes waar je met plezier even binnenloopt en er is ook een mooi aanbod tweedehands- en vintagezaken merkten we.

Uiteraard staan er ook kerken in de stad, we sprongen bij eentje even binnen. De église Saint Loup is een duidelijk voorbeeld van een barokke kerk met een behoorlijk indrukwekkend interieur. De kerk is toegewijd aan Sint-Ignatius de Loyola, stichter van de Jezuïetenorde. Behalve voor misvieringen wordt de kerk ook gebruikt voor concerten en tentoonstellingen.

Op het programma stond o.a. een bezoekje aan het museum Félicien Rops. Het museum is gehuisvest in een oud herenhuis in het centrum. Het stelt het leven en werk voor van de kunstenaar, vanaf zijn beginjaren als karikaturist tot aan zijn duivelse en diabolische werken. Maya en ikzelf waren niet meteen fan van zijn stijl, maar ik kon het talent van de man wel (h)erkennen. Ook het museum op zich is mooi uitgebouwd, het won trouwens al meerdere prijzen. Ze zetten ook in op een digitalisering van het volledige werk van de kunstenaar en het online beschikbaar stellen van de meer dan 4000 (!) brieven die van de man bewaard werden en een unieke inkijk in zijn leven en de tijdsgeest geven.

Daarna werd het tijd om de inwendige mens wat te versterken en dus keken we (online) even wat in de buurt het aanbod was. In het centrum vind je heel wat horecazaken, voor elk wat wils dus. Na wat kijken en vergelijken besloten we Lloyd Coffee Eatery uit te proberen (sommige andere zaken zaten ook gewoon vol en we hadden intussen wel honger gekregen). Het slaatje was ruim qua portie, de pancakes en de bagel iets minder maar voor de meisjesmagen zeker voldoende 😉

Na onze lunch maakten we nog een ommetje langs het stadhuis voor de grote muurschildering. En vervolgens ging het richting citadel.
We besloten met de kabellift naar omhoog te gaan en al wandelend terug naar beneden te komen. Beide opties bleken bij momenten toch een beetje een uitdaging te zijn voor Maya’s hoogtevrees. Uiteraard hielden we ook even halt bij de gouden schildpad, zoals het kunstwerk van Jan Fabre doorgaans wordt genoemd.

Jan Fabre’s werk ‘Searching for Utopia’ werd van 14 maart tot 30 augustus 2015 in Namen gepresenteerd als onderdeel van de tentoonstelling Facing time Rops / Fabre. Het idee was om twee oeuvres en twee perioden samen te brengen: die van de Waal Félicien Rops en de Vlaming Jan Fabre. Na de tentoonstelling is het kunstwerk gebleven en het is nu zonder twijfel een van de publiekstrekkers in de stad.

Na onze wandeling naar beneden was het tijd voor een koffie aan de samenvloeiing van de Samber en de Maas (met de zeer toepasselijk naam brasserie de la confluence). Waar we de bootjes en de wandelaars voorbij zagen komen.

Als afsluiter staken het water over naar de deelgemeente Jambes, waar we nog een kleine wandeling maakten. Ook hier zagen we nog enkele mooie gebouwen en street art. Tegelijk beseften we ook hoe verwend we in Gent zijn met mooie art deco en andere architectuur de omgeving van het Sint-Pietersstation, wij moeten niet ver lopen om pareltjes te zien.

Slotsom: Namen was een fijne verrassing. Een niet heel grote, maar wel gezellige stad, met heel wat leuke plekjes. Zeker de moeite van een bezoekje waard.

Mont Saint-Michel

Een bezoek aan de Mont Saint-Michel kon uiteraard niet ontbreken tijdens onze vakantie. Ik was er ooit al eens lang geleden, en Maya deed er in het middelbaar een blitzbezoekje (maar herinnerde zich vooral de drukte). Het is na Parijs zowat de meest bezochte plek in Frankrijk, het eeuwenoude bedevaartsoord op een rotsige punt in het water is niet voor niets sinds 1979 Unesco-werelderfgoed.

De Mont Saint-Michel is gebouwd op een rotsachtig eilandje. Door de eeuwen heen kwamen er verschillende gebouwen bij: de pre-romaanse kerk, de abdijkerk uit de 11e en 15e eeuw, en de romaanse en gotische kloostergebouwen. Na jarenlange werkzaamheden ligt de Mont Saint-Michel opnieuw als eilandje in het water. Het begon allemaal in 708 toen de bisschop van Avranches een heiligdom zou hebben opgericht op de Mont-Tombe nadat de aartsengel Michael er drie keer verschenen was. Al komen er nu misschien geen echte bedevaarders meer, nog steeds trekken jaarlijks miljoenen mensen naar deze plek om de aartsengel (of althans zijn beeltenis) te zien en van boven op de berg de hele baai te overzien.

Ook al hebben de Fransen nog geen (school)vakantie op het moment van ons bezoek, we besluiten om ’s ochtends tijdig te vertrekken om de drukte zoveel mogelijk te vermijden.
De nieuwe, zeer ruime parking ligt op ca. 2 kilometer van de Mont Saint-Michel. Gratis pendelbussen brengen de bezoekers naar de Mont of toch tot op een paar honderd meter zodat je nog even een mooi zicht hebt op het totaalplaatje voor je door de toegangspoort naar binnen gaat.
Bij de parking ligt ook een groot bezoekerscentrum waar je de betaalautomaten vindt voor de parkeertickets en waar je trouwens gratis naar het toilet kan (altijd handig meegenomen). Er staat al een rijtje bezoekers te wachten op de pendelbus, maar er is ook een wandelpad en wij besluiten te voet te gaan. Ik heb geen zin om in de bus gepropt te worden, het is opnieuw vrij grijs maar droog (en winderig) en ik wil in alle rust en op eigen tempo genieten van de omgeving.

De aanblik van de Mont Saint-Michel in de verte is indrukwekkend. Het landschap is wijds, de schapen – de prés salés zoals ze hier ook worden genoemd omdat het gras dat ze eten zilt is en hun vlees bijgevolg ook – mogen niet ontbreken op de foto’s. Ik kijk rond en geniet met volle teugen. Intussen rijdt het pendelbusje ons voorbij, de passagiers plakken tegen elkaar en nog net niet tegen het raam. Blij dat wij voor de wandeloptie gekozen hebben. Uiteraard worden bij het uitstappen de nodige selfies gemaakt, en ja, ook wij maken er een paar (maar enkel om naar het thuisfront te sturen 😉 )

Eenmaal binnen de muren lijkt het of je even terug in de tijd gaat. Smalle straatjes slingeren zich omhoog langs oude huizen, winkeltjes en cafés. Eind juni-begin juli en vrij vroeg in de ochtend komen, heeft duidelijk een héél groot voordeel: het is hier rustig! Ik kan zonder problemen foto’s maken van de straatjes, er staan maar heel weinig mensen op. Maya herinnerde zich dat zij (toen ze hier een aantal jaren geleden in de paasvakantie was) met de klas bijna meteen de ‘hoofdstraat’ verlieten omdat het er veel te druk was, een hele verademing dus nu en letterlijk meer ruimte om alles rustig te bekijken.

We wandelen verder naar boven want we willen ook de abdij zelf bezoeken en daarvoor moet je tegenwoordig vooraf een ticket komen in een bepaald tijdslot. Eens boven staan er uiteraard nog mensen te wachten bij de security om binnen te gaan, maar druk kan je het echt niet noemen. Helemaal zoals we dat het liefst hebben dus 🙂

We wandelen door de abdij waar op dat moment ook tentoonstelling met enkele kunstwerken loopt (eentje ervan herkennen we trouwens van het Lichtfestival in Gent van enkele jaren geleden).

Het mooiste voor mij is echter het uitzicht op de baai. Intussen is het ook deels uitgeklaard en de wolkenluchten zijn prachtig. Van dit zicht en die kleuren zou ik elke dag kunnen genieten!
Ik speel nog een beetje met de panoramafunctie op mijn smartphone in een poging om het gevarieerde spel van licht en kleur op beeld vast te leggen.

Wanneer we naar beneden wandelen, is het duidelijk al wat drukker aan het worden. Ook heel wat leerlingen die hier op schooluitstap komen, sommige plannen duidelijk ook nog een wandeling in de baai zelf. Iets wat je trouwens best onder begeleiding doet, want het water kan snel opkomen en op verschillende plaatsen kan je ook in drijfzand terecht komen.

Om terug te keren naar de parking nemen we deze keer wel de pendelbus. En zo zien we langzaam de Mont terug kleiner worden.

Slotsom: zeer de moeite van een bezoek waard!
Als je kan, kom dan buiten de schoolvakanties en als dat niet lukt, probeer dan sowieso ’s ochtends vrij vroeg te komen. Het maakt echt een wereld van verschil.
De pendelbusjes zijn top, maar als het een beetje mooi weer is dan zou ik toch te voet richting Mont gaan. Het is helemaal niet zo ver wandelen en er ligt een breed pad. Ideaal ook wanneer je de schapen in het landschap wil fotograferen.
Maak gebruik van het gratis sanitair in het bezoekerscentrum bij de parking, eens binnen de poorten is er nog publiek sanitair (o.a. vlak na de poort), maar dat is betalend.
Onze GPS kende de weg nog niet naar de nieuwe parking, maar alles staat zeer goed aangeduid, je kan eigenlijk niet missen.

Saint-Malo

Wanneer we ’s ochtends na een uitgebreid ontbijt richting Saint-Malo rijden, is de lucht nog grijs. Geen zwembadweer, maar het is droog en zacht qua temperatuur dus we laten het niet aan ons hart komen. De foto’s zijn wat grijzer, maar het bezoek aan de stad daarom niet minder aangenaam.

We zoeken een parkeerplek (geen probleem want het is vrij rustig en we vinden het ook niet erg dat we nog heel even moeten lopen) en wandelen dan richting oude stad. Het Grande Aquarium bezoeken we niet, we hebben goede herinneringen aan Nausicaà in Boulogne-sur-Mer en niet meteen behoefte om nog meer vissen en andere zeedieren van dichtbij te kunnen bewonderen.

De ommuurde stad heeft nog niets verloren van haar robuuste uitstraling. We nemen een van de stadspoorten en stellen vast dat Saint-Malo zeker de moeite van een bezoekje waard is. In de straatjes vind je heel wat winkels, uiteraard met souvenirs maar ook heel wat andere koopwaar, van kledij over interieur, kunst en uiteraard ook eten (de schaaldieren waren best fotogeniek).

Bovendien zijn de zomerkoopjes al gestart en Maya vindt er een leuke top voor een klein prijsje, Maarten een nieuwe pet (voor zomerse fietstochtjes wanneer een hoed iets minder handig is). We namen ook een kijkje in de Saint-Vincent kathedraal. Mooie glasramen en meerdere scheepsmodellen, typisch voor zoveel kerken langs de kust.

We hebben wel zin in iets lekkers, maar willen de typische toeristenterrassen vermijden. Naast de kathedraal spot ik een bakkerij waar duidelijk ook de plaatselijke bewoners in de rij staan voor hun aankopen. Bovendien hebben ze enkele stoelen buiten staan en kan je er ook koffie krijgen. Ik kies voor de typische kouign-amann (uit te spreken min of meer als queen aman), een Bretons gebakje (eigenlijk meer een soort koffiekoek) gemaakt van gelaagd deeg met boter en suiker, dat tijdens het bakken een knapperige, gekarameliseerde buitenkant krijgt met een zachte binnenkant. Het woord betekent letterlijk ‘botertaart’ in het Bretons. Het is ongetwijfeld een caloriebommetje maar erg lekker 😉

We moeten wel een beetje opletten want vlakbij de tafeltjes zitten enkele meeuwen op de loer die ook wel een lekker hap lusten. De toeristen naast ons kunnen ervan meepraten want zij strooiden eerst nog enkele kruimels van hun broodje, maar één van de gevleugelde deugnieten ging gewoon met een volledig broodje aan de haal.  

Uiteraard kan een wandeling op de stadswallen niet ontbreken. Ze zorgen voor een mooi uitzicht over de zee, die er nu heel rustig bij ligt. De robuuste omwalling maakt echter duidelijk dat het hier niet altijd zo rustig is.

We verlaten de ommuurde stad en lopen nog even de andere richting uit om langs de dijk van het zeezicht te genieten. Het is nog niet meteen strandweer en we besluiten dan ook om ons bezoek aan deze stad af te ronden. Terwijl we terug naar het hotel rijden, klaart het echter volledig uit en we kunnen nog volop van de zon en een boek genieten aan het zwembad, voor ons even goed 😉

Rouen

Dit jaar trokken we opnieuw voor onze zomervakantie richting zuiderburen, maar niet heel ver. Een tussenstop inlassen leek dan ook wat overbodig, zij het niet dat het een ideale aanleiding is om ook plekjes dichter bij huis wat extra aandacht te geven. En dus werd er toch opnieuw een tussenstop ingebouwd in het doorgaan, deze keer in Rouen.

De stad ligt op amper 3u rijden van Gent waardoor we nog ruim voor de middag op onze bestemming waren en we dus meer dan voldoende tijd hadden om uitgebreid op verkenning te gaan. We boekten een nachtje in het Novotel Rouen Centre Cathédrale en waren behoorlijk onder de indruk van de art deco inkomhal.

Na het inchecken (de bagage lieten we nog even in de koffer zitten want de kamer was nog niet beschikbaar) namen we onze picknick mee voor een lunch langs de oevers van de Seine. Het was er heel aangenaam zitten op een van de vele bankjes. De speelpleintjes waren op dat moment rustig (maar wel mooi aangelegd en er slingerde ook nergens afval rond op wat spijtige peuken na). Verschillende inwoners kwamen hier over de middag hun loopje doen of hun lunch verorberen (na de werkuren kwamen hier nog veel meer mensen genieten van de groen en de gezelligheid merkten we later die dag op trouwens). En geen probleem om je afval netjes kwijt te geraken, overal stonden containers waar het afval gesorteerd werd ingezameld en ik ontdekte zelfs vuilbakken op zonne-energie!
Na de lunch trokken we de stad in om verder op ontdekking te gaan, de eerste indruk zat alvast helemaal goed 🙂

Rouen is de hoofdstad van Normandië en een stad die je heel gemakkelijk te voet verkent. Ze telt heel wat leuke straten en pleintjes met mooie winkels en een ruim aanbod aan horeca, massa’s vakwerkhuizen, indrukwekkende (gotische) kerken en ook enkele knappe musea.

De kathedraal Notre-Dame van Rouen is alvast een topvoorbeeld van gotische architectuur. Het gebouw werd wereldberoemd door Claude Monet de kathedraal vereeuwigde in een reeks schilderijen (waarvan je er trouwens ook eentje in Rouen kan bewonderen, zie verder).

In het oude stadscentrum vind je naast de vele vakwerkhuizen ook de Rue de Gros-Horloge. De astronomische klok is behoorlijk indrukwekkend en het symbool van de stad. Op zondag (en ook op maandag merkten we) zijn de meeste winkels wel gesloten, maar dat maakte het er niet minder gezellig op. Wie echter een stadsbezoek wil combineren met winkelplezier houdt daar wel best rekening mee. De lokale afdeling van Galleries Lafayette was open (maar de buitenkant was wat ons betreft het mooiste om te bekijken), het plaatselijk kattencafé was (tot grote spijt van Maya) gesloten.

Rouen is ook de stad van Jeanne d’Arc. Op de Place du Vieux-Marché werd ze in 1431 ter dood gebracht. Vandaag vind je hier een moderne kerk gewijd aan haar, met prachtige glas-in-loodramen. De ramen dateren uit de 16de eeuw en kwamen uit een andere kerk die tijdens de Tweede Wereldoorlog grotendeels werd vernield. Het gebouw zelf doet een beetje denken aan een Vikingschip (of een vis, volgens sommigen). Volgens ons in elk geval een prachtig staaltje architectuur, meer dan de moeite waard om zowel binnenin als langs buiten even wat extra aandacht te geven.

Het plein zelf is vrij druk, met een ruim aanbod aan cafés en restaurants en het typische draaimolentje dat je zowat in elke stad of dorp tegenkomt. Wij besloten wat rustiger straatjes te verkennen op zoek naar “there where the locals go” om iets te drinken. We vonden een soortement café (met enkel maar ‘simpele dingen’ op de kaart: qua koffie bv gewoon ‘un grand café ou un petit’, de prijzen waren ook navenant) naast een plek waar jeux de boules gespeeld werd in een straatje waar water en planten (blauw en groen) op een heel mooie manier terug in het straatbeeld geïntegreerd waren. Ik moest even denken aan Mechelen waar ik een gelijkaardige inrichting zag (zoiets mogen ze wat mij betreft op meer plaatsen doen trouwens).

Omdat we eigenlijk nog genoeg tijd hadden, besloten we ook al het Musée des Beaux-Arts te bezoeken en dat niet uit te stellen tot de volgende ochtend. Het museum herbergt een indrukwekkende collectie schilderijen, beeldhouwwerken en tekeningen. Je vindt er werken van o.a. Monet, Degas, Delacroix, Géricault en Caravaggio. Het gebouw deed me qua inrichting wat denken aan een mix tussen het Gentse MSK en het Antwerpse MSKA.

In het eerste deel ook nog ruimte voor enkele designstukken en hier en daar, in de trappenhal en op het einde van de tentoonstelling een moderne toets. De toegang is bovendien gratis, wat het extra aantrekkelijk maakt om eens binnen te lopen.

’s Avonds maakten we het onszelf gemakkelijk en kozen voor het Italiaans restaurant in/aan het hotel. Een mooi gevulde en gesmaakte dag. Na een goede nacht en uitgebreid ontbijt, konden wij gezwind vertrekken naar onze volgende bestemming.

Slotsom: Rouen is zeker de moeite van een bezoek waard en vanuit België nog net in te plannen als daguitstap of zeker perfect voor een weekendje weg.

Architectuurwandelingske

Wij houden van huizen kijken (zoals velen vermoed ik). Ik denk dat het bij mij begonnen is toen ik in mijn eerste licentie (tegenwoordig heet dat master) als keuzevak monumentenzorg had gekozen. Het vak op zich was misschien niet zo bijzonder, maar ik ben één quote nooit vergeten: ‘een stad, en zeker eentje als Gent, leer je het best kennen door naar boven te kijken, als in ‘hoger dan het straatniveau/gelijkvloers’. Zeker in winkelstraten was dat toen heel frappant: vanaf de eerste verdieping leek er plots een ander (ouder) gebouw te staan, met vaak nog mooie architectuurelementen. Sindsdien ben ik eigenlijk niet meer gestopt met rondkijken.

Volgens mij de leukste om een stad te leren kennen, is al wandelend. Gewoon buiten rondlopen, je ogen de kost geven en vaak kom je dan leuke of onverwachte zaken tegen: een mooi gebouw, een gezellig park, een minder bekend museum, grappig straatmeubilair, een alleraardigst winkeltje of atelier, een fijne koffiebar of restaurant ….

Toen corona ons leven sterk bepaalde, gingen wij veel wandelen in de buurt. Vaak in het groen, die luxe hadden wij gelukkig, maar ook gewoon door straten en wijken, langs de huizen. Op die manier kregen we een scala aan huizen en tuinen te zien, die we anders nooit ontdekt zouden hebben. Het zorgde vaak voor gespreksonderwerpen over wat we zelf mooi of minder mooi vonden, ideetjes voor inrichting van de tuin, plantenkeuzes, ….

Recent deden we nog eens zo’n ‘kijkwandeling’. Verschillende straten van een woonwijk aflopen en gewoon huizen kijken. Vaststellen hoe over de jaren heen de stijlen wijzigden, hoe de ene bouwheer en/of architect al creatiever of verrassender uit de hoek kwam dan de andere, hoe oude huisjes naast grote nieuwe villa’s staan, verbaasd zijn over woningen en hoe die ooit vergund geraakt zijn, je afvragen waarom mensen bepaalde keuzes hebben gemaakt… Het zorgde voor een paar uur wandelplezier en een fijne wandelnamiddag 🙂

Plastic Fantastic?

Op een zonnige zondig in februari trokken wij nog eens richting binnenstad voor een bezoekje aan één van de Gentse stadsmusea. Daar mag je tussen 10 en 13u gratis binnen als Gentenaar en dat is dus ideaal om snel even een tijdelijke tentoonstelling mee te pikken.

Van Leo Baekelands wereldberoemde uitvinding ‘bakeliet’, over de massaproductie na de Tweede Wereldoorlog, tot ingenieuze hoogtechnologische toepassingen en de desastreuze plastic soup van vandaag. De expo ‘Plastic Fantastic?’ neemt je mee doorheen de geschiedenis van de kunststoffenproductie en -consumptie.

De tentoonstelling is niet echt groot, maar wel boeiend. Alles startte min of meer met de uitvinding van het bakeliet, de allereerste volledig synthetische kunststof. Een uitvinding van de Gentenaar Leo Baekeland trouwens, die er wereldberoemd mee werd.
Je maakt als bezoeker een duik in de geschiedenis van de kunststoffen die in de 20ste eeuw een onmisbaar onderdeel van ons dagelijks leven werden. Van alledaagse voorwerpen zoals brooddozen en medische spuiten tot designklassiekers zoals de bakelieten radio en telefoon, kunststoffen zijn uitermate veelzijdig. Die veelzijdigheid wordt aan de hand van een alfabet creatief in beeld gebracht.

Er zijn de meer voor de hand liggende voorwerpen uiteraard, maar zo had ik er zelf eigenlijk nog nooit bij stilgestaan dat ook biljartballen, ooit standaard gemaakt uit ivoor, al jaren gemaakt worden uit kunststof (gelukkig maar).

In het interactieve plastic lab, krijg je nog een beter zicht op de veelzijdige eigenschappen van kunststoffen en kan je dat aan verschillende praktische opstellen ook zelf eens uittesten. Daarnaast krijg je als bezoeker ook een kijkje in de fabriekssfeer met indrukwekkende machines en matrijzen. Videogetuigenissen nodigen je uit om na te denken over de vraag: “Is plastic nu echt fantastisch?”

In lijn met de boodschap van duurzaamheid, is de scenografie van de tentoonstelling opgebouwd uit gerecycleerde kunststoffen en productieafval. Dit circulaire ontwerp zorgt ervoor dat de tentoonstelling zelf bijdraagt aan het verminderen van de plastic afvalberg. En wie zin heeft, kan op een omgebouwde fiets zelf even op de trappers staan om enkele plastic dopjes te ‘versnipperen’ 😉

De tentoonstelling is geschikt voor bezoekers van alle leeftijden en loopt nog tot juni 2025. Voor de jongsten is er een apart parcours/spel in de tentoonstelling geïntegreerd en er is zelfs een speel- en leeshoekje.

En wanneer je er toch bent, neem meteen ook eens een kijkje op de andere verdiepingen, want ook de vaste tentoonstelling is meer dan de moeite waard.

Alle praktische info lees je op de website van het museum.

Elzas – Vitrahaus

Quasi op het drielandenpunt van Frankrijk, Zwitserland en Duitsland, op het grondgebied van Duitsland, in Weil-am-Rhein, ligt de Vitracampus. Vitra is een naam als een klok, een designklok. Toen we in het voorjaar van 2019 na een citytrip Wenen via Frankrijk terug naar huis reden, maakten we hier al eens een tussenstop. Ik wist toen al dat we hier nog wel eenst terug zouden komen en dat een vakantie in de Elzas eigenlijk de perfecte uitvalsbasis is voor een tripje naar deze bijzondere plek. De foto’s zijn een combi van ons bezoek in april 2019 en september 2024.

De eigenaar van de meubelfabriek Vitra wilde oorspronkelijk een gebouw om zijn verzameling stoelen en andere meubels permanent tentoon te stellen. Uiteindelijk werd het (in 1989) een museum met ruimte voor tentoonstellingen en evenementen rond architectuur en ontwerpen. Het zwaartepunt van de collectie is een permanente tentoonstelling over meubels en interieurontwerpen. De basis werd gelegd na het overlijden van de Amerikaanse ontwerpers en architecten Charles en Ray Eames. Hun ontwerpen werden door Vitra geproduceerd en in Europa verkocht. De meubelverzameling bevat intussen ontwerpen van bijna alle bekende industriële ontwerpers, zoals George Nelson, Alvar Aalto, Verner Panton, Dieter Rams, Jean Prouvé, Michael Thonet en Gerrit Rietveld. Naast de meubelverzameling beschikt het museum ook over een bibliotheek en een archief met de nalatenschap van een aantal ontwerpers.

De hele site staat vol met gebouwen van wereldbefaamde architecten. Het hoofdgebouw van het museum is ontwerpen door Frank Gehry. Het gebouw voor de bedrijfsbrandweer van Vitra is een ontwerp van Zaha Hadid, een conferentiepaviljoen van de Japanner Tadao Ando, een tankstation ontworpen door Jean Prouvé …

In 2010 opende op de site het VitraHaus, de toonzaal van Vitra, met op de benedenverdieping de Vitra Design Museum Shop. Het Vitrahaus is een ontwerp van Herzog en de Meuron en lijkt wel een willekeurige stapeling van huizen. De blokken zijn echter perfect op elkaar gestapeld en in elkaar geschoven. De binnenkant is een passend geheel met heel veel daglicht en telkens weer prachtige uitzichten op de omgeving.

Het VitraHaus is dan ook zoveel meer dan een toonzaal, het hele gebouw ‘ademt’ modern design op een heel natuurlijke manier. Niet zo evident om te omschrijven, maar het is gewoon heerlijk om er rond te lopen en te genieten van de verschillende interieurs en ontwerpen.

Op een van de bovenverdiepingen (de VitraHaus Loft) mag een hedendaagse ontwerper voor een langere periode trouwens een studio inrichten met eigen ontwerpen. Op dit moment vind je daar het werk van Sabine Marcelis. Die waren niet altijd mijn ding qua materiaalkeuze, maar wel boeiend qua ontwerp.

In 2014 was de Vitra-collectie uitgegroeid tot ongeveer 6000 meubels en 1000 lampen. In 2016 opende op de Vitra Campus het Schaudepot. In dit gebouw is een permanente tentoonstelling van ongeveer ‘400 hoogtepunten uit de geschiedenis van het meubelontwerp van 1800 tot heden’ te bekijken.

In 2014 verscheen ook de 31 meter hoge Vitra Rutschturm van Carsten Höller. De stalen toren, een kunstwerk, fungeert als uitzichttoren met een spiraalvormige glijbaan.


Intussen kwam er op de site ook een prachtige plantentuin bij, in september was die wel al een beetje over haar hoogtepunt naar ze heeft er zonder meer heel kleurrijk uitgezien.

Het museum en het Shaudepot zijn betalend, het Vitrahaus kan je vrij bezoeken. Alle praktische info lees je op hun website: https://www.design-museum.de/de/informationen.html